|
Veelgestelde vragen: Gemeenteraadsverkiezingen 2006
Alles wat u wilde weten over uw gemeente
De kiezer
Hoeveel mensen gaan stemmen?
Verkiezingen zijn in ons land een zaak van alle 4,6 miljoen Vlamingen. En van anderen.
De gemeenteraadsverkiezingen zijn een zaak van 4,6 miljoen Vlamingen (7,57 miljoen Belgen), 100.000 EU-burgers en 17.000 niet-EU-burgers. De eerste groep moet gaan stemmen, de andere twee groepen moeten dat niet.
Stem-of opkomstplicht?
Strikt genomen is stemmen zelfs niet eens verplicht. Er geldt in ons land een opkomstplicht. We moeten ons melden, maar als we liever een ventje tekenen op het stemformulier in plaats van een stem uit te brengen, kan niemand ons tegenhouden.
Om te mogen stemmen want het is ook een recht mag je geen criminele veroordeling hebben opgelopen en, een tweede vereiste, je moet achttien jaar oud zijn. Over dat laatste is de voorbije jaren meermaals gedebatteerd. In de paars-groene regering van Patrick Dewael (VLD) brak minister van Jeugd Bert Anciaux (Spirit) zelfs resoluut een lans voor stemrecht vanaf zestien. De jongeren zelf reageerden lauw. De andere partijen ook. Het idee om jongeren vrij te laten om te gaan stemmen of niet vanaf zestien en te verplichten vanaf achttien, werd snel begraven. En uiteindelijk bleef er niets over van het idee. Tot nog toe.
Heel wat meer openlijk gekrakeel tot grote politieke crisissen toe werd opgevoerd rond het migrantenstemrecht, het stemrecht voor niet-EU-burgers. Zeer tegen de zin van de liberale coalitiepartner kwam het er uiteindelijk in 2004. Met voorwaarden.
Zo zouden de geïnteresseerde niet-EU-burgers zich, net zoals burgers van de Europese Unie, vooraf moeten inschrijven. Bovendien zouden ze een schriftelijke verklaring moeten ondertekenen met de belofte dat ze de grondwet zouden naleven en het Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden.
Had politiek België toen beseft dat uiteindelijk maar dertien procent van de niet-EU-burgers in Vlaanderen geïnteresseerd zou zijn in het stemrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen, dan zou het allemaal allicht niet tot zo’n heisa hebben geleid.
De invloed van de 17.000 stemmen (in heel België) zal ook wel eerder beperkt blijven. Maar het gaat natuurlijk vooral om het symbool: wie vijf jaar onafgebroken in ons land woont, heeft het recht om mee te beslissen wie zijn gemeente bestuurt..
Kan ik zelf een partij oprichten?
Als u vindt dat alle politici uiteindelijk hetzelfde zijn en doen, en als u zich daarin helemaal niet terugvindt, kunt u altijd zelf een partij oprichten. Velen doen dat trouwens, misschien ook omdat het zo gemakkelijk is. Weinigen slagen er echter in enig succes te boeken, want dat is dan weer zeer moeilijk lees er maar eens het zetelverdelingssysteem op na.
Om een partij op te richten, hebt u vooral kandidaten nodig. Strikt genomen hebt u er evenveel nodig als er zetels te winnen zijn in uw gemeente maar eigenlijk hoeft zelfs dat niet. U mag het met minder doen. Uw kandidaten moeten natuurlijk aan de voorwaarden voldoen: achttien jaar zijn bijvoorbeeld en geen criminele veroordeling hebben opgelopen. Ook moet u evenveel mannen als vrouwen op de lijst zetten.
En dan kunt u de voordrachtsakte invullen. Daarop staan de naam, de voornamen, de geboortedatum, het geslacht, het rijksregisternummer, het beroep, de hoofdverblijfplaats en de handtekening van de kandidaten. De voordrachtsakte vermeldt ook het letterwoord (maximaal achttien karakters) dat bovenaan de kandidatenlijst op het stembiljet moet staan.
Om geldig te zijn, moet de voordracht van de kandidaturen voor de gemeenteraadsverkiezingen ondertekend worden door ten minste twee aftredende gemeenteraadsleden of door de gemeenteraadskiezers. In gemeenten van 20.000 inwoners of meer zijn 100 handtekeningen nodig. In kleinere gemeenten 50, 30 of nog minder. De voordrachten van de kandidaturen moeten, tegen ontvangstbewijs, overhandigd worden aan de voorzitter van het hoofdstembureau op zaterdag 9 september of op zondag 10 september 2006, telkens tussen 13 en 16 uur.
Het raadslid
Hoeveel raadsleden krijgt u?
Hier kan een tabel komen met hoeveel gemeenteraadsleden krijgen de gemeenten. Dat hangt immers af van hun grootte.
De tabel vind je hier.
Hoe ziet een raadslid eruit?
De politicologen Reynaert, Steyvers en Verlet hebben 20.347 gemeenteraadsleden van de laatste 60 jaar tegen het licht gehouden en hun profiel geschetst.
Zo merken we dat de gemeenteraden vervrouwelijken. Traagjes. Tot de jaren zestig was amper drie procent van onze raadsleden een vrouw. In 1970 klom het percentage naar 7. Twaalf jaar later zaten de dames bijna aan 13 procent. Een echte duw in de rug kregen ze in 1994 toen beslist werd dat een vierde van de lijst uit vrouwen moest bestaan. Voor de verkiezingen van 2000 klom dat aandeel naar een derde. Het resulteerde in 20,9 procent vrouwelijke raadsleden in 1994 en 30 procent in 2000. Wat uiteindelijk nog altijd weinig is. Daarom geldt bij deze verkiezingen dat de helft van de lijsten vrouwen moeten zijn, met bovendien één of twee dames in de top-drie.
Vrouwen zijn het meest vertegenwoordigd bij de jongste raadsleden. Misschien omdat zij wat minder gezinstaken hebben en dus meer tijd voor de gemeente. De meeste vrouwelijke raadsleden vinden we trouwens in de steden. U zal het ons allicht een beetje kwalijk nemen als we erop wijzen dat de zetels daar het goedkoopst zijn. Toch staat de wetenschap aan onze kant. Vrouwen waren in 1994 en 200 electoraal minder succesvol dan mannen. Van alle kandidates werd 15 procent verkozen. Van alle kandidaten 29 procent. (Reden is natuurlijk dat mannen ook in 2000 vooral de kopplaatsen op de lijst innamen.)
Een tweede evolutie bij de raadsleden is de verjonging. Raadsleden worden steeds jonger, al blijven de hogere functies in een gemeente (schepen/burgemeester) toch vooral voor de mid-veertigers voorbehouden. Net zoals de hogere echelons ook minder vrouwen kennen. Slechts 20 procent van alle schepenen is een vrouw en zeven procent van alle burgemeesters.
Een derde verschuiving gaat over het beroep van raadsleden. Het aandeel van de arbeiders, landbouwers, zelfstandigen en werkgevers daalt. Het aandeel van intellectuele en vrije beroepen stijgt. Dat aandeel ligt nog hoger bij schepenen en burgemeesters. Twee redenen zien Reynaert, Steyvers en Verlet: de schaalvergroting van de gemeenten en de toenemende complexiteit enerzijds, het afnemen van het belang van de primaire en secundaire sectoren in de maatschappij anderzijds.
Wat doet de gemeenteraad?
Alles samen worden straks in Vlaanderen meer dan 7.300 raadsleden aangeduid. De gemeenteraad is het het parlement van uw gemeente.
Gemeenteraden moeten minstens elke maand eens samenkomen juli en augustus niet meegerekend. Sommige gemeenten halen zelfs dat minimum van 10 zittingen per jaar niet. Grotere gemeenten roepen hun raad natuurlijk vaker samen.
Tot nog toe was dat de taak van de burgemeesters. Zij roepen de raad bijeen en stellen ook de agenda op, zij zijn immers de voorzitter van de raad (Wat doet de burgemeester?). Maar dat laatste verandert in het nieuwe Vlaamse gemeentedecreet. De colleges die straks gekozen worden, mogen zelf kiezen of de burgemeester de voorzitter van de gemeenteraad blijft of dat een ander raadslid voorzitter wordt. Na de volgende verkiezingen, vanaf januari 2013, is dat laatste verplicht en mag de burgemeester geen voorzitter van de raad meer zijn.
Belangrijk is dat de gemeenteraad ook moet samenkomen als een derde van de raadsleden daarom vraagt. In Antwerpen heeft Vlaams Belang bijvoorbeeld al op die manier raadszittingen bijeen laten roepen. De zittingen van de gemeenteraad zijn net als die van het parlement openbaar. U mag ze dus bijwonen.
Ook net als het parlement kan een gemeenteraad een aantal commissies in het leven roepen die zich bijvoorbeeld enkel met onderwijs of met leefmilieu, mobiliteit... bezighouden. In grote gemeenten met meer dan 40 raadsleden kan het handig zijn om in kleine vergaderingen met gespecialiseerde gemeenteraadsleden wat voorbereidend werk te doen. De commissies kunnen geen beslissing nemen zonder dat de hele gemeenteraad zich er later nog over moet buigen. Ze kunnen natuurlijk wel adviseren.
Ook op het vlak van bevoegdheden is een gemeenteraad vergelijkbaar met het parlement. De echte politieke macht zit niet in het parlement of de gemeenteraad, maar bij de regering en het schepencollege. De gemeenteraad mag de burgemeester en zijn schepenen wel controleren en bevragen. En uiteindelijk moet de meerderheid van de gemeenteraad ook akkoord gaan met beslissingen van burgemeester en schepenen.
De raad moet dus ook het meerjarenplan vaststellen, de personeelsformatie, de hoogte van de gemeentebelastingen, de investeringen... van de gemeente.
Rijk worden ze er niet van. Raadsleden krijgen niet veel meer dan een presentiegeld. Hoeveel dat is, mag de gemeenteraad binnen door de Vlaamse overheid bepaalde grenzen vastleggen. Maar het is een vergoeding, geen loon.
De schepen
Kan een schepen ontslagen worden?
Een nieuwe procedure moet voorkomen dat er verraders in het schepencollege zetelen. Want een schepen ontslaan kan niet.
In Mortsel kunnen ze ervan meespreken: er zit een mol in het college. De bestuursmeerderheid wordt gevormd door Groen!, Vlam (vroeger de Volksunie) en CD&V. Toch zit er ook iemand van de VLD-oppositie in het college.
Hoe dat mogelijk is? Op de eerste zitting van de gemeenteraad, begin januari volgend op de verkiezingen, worden de schepenen aangeduid bij een geheime stemming. Natuurlijk worden vooraf afspraken gemaakt en wordt vooraf door de coalitiepartijen bepaald voor wie er moet worden gestemd.
Maar soms zitten er verraders in de coalitie: gekozenen die om één of andere reden (vaak erg persoonlijke redenen) niet willen dat die of die politicus schepen wordt. En omdat het toch om een geheime stemming gaat, is vals spelen niet eens zo moeilijk.
Normaal is één valsspeler niet eens zo erg. Maar als de coalitie een erg nipte meerderheid heeft, is het wel erg. Zoals in Mortsel dus, waar burgemeester Ingrid Pira zes jaar lang een mol in haar schepencollege moet dulden. Omdat een schepen niet kan worden ontslagen - tenzij bij pertinente fouten, wangedrag en malversaties - is er maar één manier om de mol onschadelijk te maken: bevoegdheden afpakken. De VLDschepen in Mortsel is bijvoorbeeld enkel bevoegd voor de bibliotheek. Over de rest heeft zij niets te zeggen. Zij zit wel in het schepencollege natuurlijk, maar bij heikele dossiers komen de andere schepenen eerst officieus samen en zonder mol natuurlijk.
Toch is het geen gezonde situatie. Het nieuwe Vlaamse gemeentedecreet probeert dat dan ook te vermijden. Voortaan worden schepen in alle openheid op voorhand voorgedragen acht dagen voor de samenkomst van de eerste gemeenteraad. De lijst met schepenen moet de handtekening hebben van de helft van de verkozen gemeenteraadsleden, plus één. Bovendien moet ook de helft van de partijgenoten van de kandidaat-schepen de voordracht tekenen.
Meer dan één voordracht tekenen, kan niet. En wie het toch doet, krijgt een zware sanctie. Een en ander leidt echter wel tot een impasse. En dan moet er een geheime stemming volgen over wie uiteindelijk schepen wordt. Op die manier kan er wel een mol in het college belanden natuurlijk. Helemaal waterdicht is het systeem dus niet.
Waarom wisselen schepenen?
Soms komen partijen aan het begin van hun regeerperiode overeen om halverwege van schepenen te wisselen. Om politieke evenwichten te bereiken, wordt bijvoorbeeld afgesproken dat een schepen van partij A na drie jaar wordt vervangen door iemand van partij B. Net zoals de Vlaamse regering bij het begin van haar legislatuur afspraken om halverwege de SP.A-voorzitter van het Vlaams parlement te vervangen door een VLD-voorzitter.
Sommige schepen "vergaten" af te treden.
Met het nieuwe gemeentedecreet
is dit nu afdwingbaar. Ook met dat soort wissels waren er vaak problemen in de gemeenten: zittende schepenen die zich plots niet meer herinnerden dat ze moesten aftreden na drie jaar. Of politici die zelfs van partij veranderden om schepen te kunnen blijven.
Om dat te vermijden zegt het nieuwe gemeentedecreet dat dergelijke afgesproken wissels ook op de voordrachtsakte moeten staan. Als de wissels er niet op staan, zijn ze niet afdwingbaar.
Hoeveel schepenen zijn er?
Gemeenten kunnen voortaan zelf kiezen hoeveel schepenen ze hebben. Ongeveer.
The sky is niet the limit. De Vlaamse regering heeft de limieten immers vastgelegd. Er is een benedengrens: elke gemeente moet naast de burgemeester en de OCMW-voorzitter minstens twee schepenen hebben.
Hoeveel schepenen een gemeente maximaal mag hebben, hangt dan weer af van het aantal inwoners van die gemeente: de kleinste gemeenten krijgen er twee, de grootste tien.
Aantal inwoners Maximale aantal schepenen
- minder dan 1.000 inwoners: 2 schepenen
- van 1.000 tot 4.999 inwoners: 3 schepenen
- van 5.000 tot 9.999 inwoners: 4 schepenen
- van 10.000 tot 19.999 inwoners: 5 schepenen
- van 20.000 tot 29.999 inwoners: 6 schepenen
- van 30.000 tot 49.999 inwoners: 7 schepenen
- van 50.000 tot 99.999 inwoners: 8 schepenen
- van 100.000 tot 199.999 inwoners: 9 schepenen
- vanaf 200.000 inwoners: 10 schepenen
Als alle gemeenten hun maximale aantal schepenen benutten na de verkiezingen, dan telt Vlaanderen begin januari 2007 iets minder dan 1.600 schepenen.
Er is nog een beperking aan de vrijheid van de colleges. Schepencolleges mogen vanaf 2007 niet langer bestaan uit enkel mannen of enkel vrouwen. Niet dat vrouwenbastions bestaan. Mannenclubjes wel. Liefst 71 van de 307 colleges in Vlaanderen bestaan enkel uit mannen.
De burgemeester
Hoe word ik burgemeester?
Hebt u het in zich om ooit burgemeester te worden? Dit artikel leert u het.
PROFIEL VAN DE BURGEMEESTER
- 92,6 % is een man
- gemiddeld 54 jaar
- politiek zit in de familie
- trouw aan de gemeente
- 50% van de burgemeesters is lid van de CD&V
Bent u een man?
Indien ja: proficiat.
U maakt een goede kans om ooit burgemeester te worden. Haast alle burgemeesters (92,6 procent) zijn mannen.
Indien neen: oei.
Vrouwelijke burgemeesters zijn sterk in de minderheid (7,4 procent). Dat aantal zal waarschijnlijk stijgen door de nieuwe regels bij deze verkiezingen: evenveel mannen als vrouwen op de lijst en verplicht één of twee vrouwen bij de top-3 van de lijst. Maar een waterdichte garantie op meer vrouwelijke burgemeesters is dat niet.
Bent u veertig jaar en ouder?
Indien ja: proficiat.
Gemiddeld is een burgemeester 44 jaar oud wanneer hij een eerste keer de sjerp omgordt. De gemiddelde leeftijd van een burgemeester is 54 jaar.
Indien neen: jammer.
Maar er is nog niets verloren natuurlijk als u tenminste snel trouwt en uw huwelijksplicht vervult. De doorsnee burgemeester is gehuwd, heeft twee kinderen en noemt zichzelf katholiek.
Bent u arbeider, landbouwer of journalist?
Indien ja: jammer.
U laat zich best omscholen.
Indien neen:
hopelijk hebt u een vrij beroep of bent u leraar, want dan staat u in poleposition om burgemeester te worden.
Parlez-vous français?
Indien ja:
het mag, maar als u in Vlaanderen op Nederlandstalig grondgebied burgemeester wilt worden, zal u moeten kunnen bewijzen dat u ook Nederlands spreekt en verstaat.
Indien neen:
Frans spreken hoeft niet om burgemeester te worden in Vlaanderen. Het kan natuurlijk wel helpen als u uw gemeente wil laten verbroederen of verzusteren met een stad in Frankrijk of Canada
Was u vader ooit burgemeester?
Indien ja: fantastisch.
Een studie van politicoloog Johan Ackaert leert dat ongeveer één burgemeester op vier een vader heeft die burgemeester was of minstens gemeenteraadslid.
Indien neen: hopelijk waren uw ouders toch een beetje politiek actief.
Eén burgemeester op twee komt immers uit een politiek nest.
Bent u al vaak verhuisd?
Indien ja: oei.
Lokale standvastigheid helpt als u wilt burgemeester worden.
Indien neen: goed zo.
Twee burgemeesters op drie zijn het hoofd van de gemeente waar ze vier decennia geleden geboren zijn.
Bent u nieuw in de politiek?
Indien ja: moeilijk gaat ook.
Normaal heeft een burgemeester eerst al wat politieke carrière gemaakt in zijn gemeente voor hij de sjerp wint. Toch gebeurt het: één burgemeester op vijf is nooit gemeenteraadslid of schepen geweest.
Indien neen: goed zo.
U bent best 35 jaar als u een eerste gemeentelijk mandaat opneemt. Tien jaar later kunt u burgemeester worden. Zowat 53 procent van de burgemeesters begint zijn carrière als raadslid, 20 procent begint als schepen.
Bent u al burgemeester?
Indien ja: geweldig.
Gemiddeld wordt zestig procent van alle burgemeesters herkozen.
Indien neen: geen erg.
Veertig procent van de burgemeesters wordt niet herkozen.
Bent u minister of provinciegouverneur of koning der Belgen?
Indien ja: jammer.
De functie die u nu uitoefent is niet verenigbaar met het burgemeestersambt. Zelfs uw schepenambities kunt u beter opbergen.
Indien neen: goed zo.
Bent u CD&V'er?
Indien ja: Zeer goed.
U zit bij de partij die in Vlaanderen bijna de helft van alle burgemeesters levert. 150 om precies te zijn. Bovendien neemt de partij in 222 gemeenten deel aan het bestuur, in 71 gemeenten zelfs zonder coalitiepartner.
Indien neen: Geen angst, meer dan de helft van de Vlaamse burgemeesters zijn geen CD&V'ers.
Kiezen we de burgemeester zelf?
Drie vierde van de Vlaamse burgemeesters was stemmenkampioen bij de verkiezingen. We zijn er ooit heel dichtbij geweest, maar het is er toch (nog) niet van gekomen: de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester.
De vorige Vlaamse regering onder Patrick Dewael had er zelfs een politiek akkoord rond gesloten. De VLD, die er het hardst had voor geijverd, kreeg de rechtstreekse verkiezing in ruil voor de decumul (geen burgemeesters en schepenen meer in de parlementen) en in ruil voor een andere berekeningswijze van de zetelverdeling (D'Hondt in plaats van Imperiali).
Maar praktische bezwaren hebben de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester getorpedeerd. Het is één ding om het eens te zijn over het principe, het is iets helemaal anders om dat principe ook praktisch uit te werken. Zeker als politiek Vlaanderen in de praktische uitwerking er alles aan wil doen om cohabitatie te vermijden (een burgemeester van partij A met een schepencollege van partij B en C) en bang is voor Vlaams Belang-burgemeesters. Bovendien waren zowat alle lokale mandatarissen, de burgemeesters voorop, tegen het idee.
De regering-Dewael/Somers ging en de regering-Leterme kwam. Voor CD&V is de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester geen must. Meer nog: de partij is er tegen. Veel kans dat ook de volgende gemeenteraadsverkiezingen het zonder die burgemeestersverkiezing zal moeten stellen.
Is dat erg? Het hangt ervan af hoe sterk u gelooft in rechtstreekse burgerparticipatie natuurlijk. Tenslotte kiezen we ook onze premier of onze minister-president niet rechtstreeks.
We bepalen voor 75% de burgemeester
Maar ook voor de grote voorstanders van het principe is er goed nieuws: eigenlijk kiest u al voor 75 procent uw burgemeester rechtstreeks.
De Gentse universiteit heeft het na de verkiezingen van 2000 uitgerekend. Toen bleek dat in 222 van de 296 onderzochte Vlaamse gemeenten de stemmenkampioen uiteindelijk ook burgemeester werd. Dat aantal zou nog hoger gelegen hebben als de toenmalige ministers Patrick Dewael, Steve Stevaert, Jaak Gabriëls, Marleen Vanderpoorten of Dirk Van Mechelen voor de sjerp hadden gekozen en niet voor de Wetstraat.
74 gemeenten hadden na 2000 niet de grootste stemmentrekker op de troon. In 38 gemeenten werd de tweede grootste stemmentrekker burgemeester, in 18 kreeg de derde grootste de hoofdprijs. Belandde de stemmenkampioen soms in de oppositie? Uiterst zelden. Slechts in 11 procent van de Vlaamse gemeenten gebeurde dat.
Stemmentrekkers zonder sjerp
Tot welke partij behoren de stemmentrekkers die naast de sjerp grepen, onderzocht de universiteit ook. De CVP (CD&V) telde 27 pechvogels, de SP (SP.A) 11, de VLD ook 11, de toenmalige Volksunie 3 en de lokale partijen 20. Het Vlaams Blok/Belang had twee keer de stemmenkampioen in huis: in Antwerpen natuurlijk, maar ook in Ronse.
Sjerp maar geen stemmenkampioen
Dat betekent niet dat de CD&V het meest te winnen heeft bij een rechtstreekse burgemeestersverkiezing. De partij levert immers 30 burgemeesters die niet de grootste stemmentrekker waren. De VLD levert zelfs 17 niet-kampioenen als burgemeester. Zo bekeken zou de VLD zelfs verliezen bij de rechtstreekse verkiezingen van de stemmenkampioen.
De sjerp
Burgemeesters dragen een sjerp, zo hoort dat. Die sjerp is een onderscheidingsteken en werd officieel vastgelegd bij een KB van 23 januari 1837. De jonge Belgische natie koos natuurlijk voor een driekleurige sjerp.
De sjerp moet de burgemeester
onderscheiden van het gewone volk. Het onderscheidingsteken moest doen wat het woord zegt: de burgemeester onderscheiden van het gewone volk. Zowat 170 jaar later, bestaat de sjerp nog en draagt de burgemeester hem slechts af en toe, vooral bij officiële plechtigheden bijvoorbeeld bij het voltrekken van een huwelijk.
Ook schepenen hebben trouwens een sjerp, maar dan enkel in zwart en geel.
Overigens bestaat er ook zoiets als een officiële ambtskledij voor de burgemeester. Ook dat werd vastgelegd in 1837 voor mannen en tien jaar later ook voor vrouwen. Het kostuum was zelfs afhankelijk van het aantal inwoners van de gemeente.
Bij wijze van smaakmaker: het kostuum voor een eerder kleine gemeente: “Habit-frac blue de roi, doublé en soie bleue, collet droit, une rangée de neuf boutons en argent…”. Natuurlijk hoorde daar ook een hoed bij. "Un chapeau à la française, uni, avec ganse en argent à graine d' épinards et cocarde nationale". Het spreekt voor zich dat de burgemeester ook een zwaard droeg.
Hoeveel verdient de burgemeester, zijn secretaris en de schepenen?
Als u wilt weten wat een burgemeester en schepenen verdienen, haalt u best uw rekenmachine boven. De wedden van de schepenen zijn immers een percentage van de wedde van de burgemeester en diens wedde is een percentage van de wedde van de gemeentesecretaris.
De eerste vraag is dus: wat verdient een gemeentesecretaris? Die wedde is afhankelijk van het aantal inwoners van een gemeente.
In de kleinste gemeenten gaat het om ongeveer 1.500 euro netto per jaar. Naarmate de gemeente groter wordt, klimt het inkomen tot 3.000 euro netto en meer. Hoeveel krijgt de burgemeester daarvan? In de kleinste gemeenten (tot 5.000 inwoners) krijgt de burgemeester 75 procent van de wedde van de gemeentesecretaris. In gemeenten die dubbel zo groot zijn is dat 80 procent. Gemeenten tussen 10.001 en 20.000 inwoners betekenen dat de burgemeester 85 procent van de wedde van zijn secretaris krijgt. Nog grotere gemeenten (tot 50.000) is goed voor 95 procent.
Alleen als de gemeenten meer dan 50.000 inwoners tellen, krijgt de burgemeester een hoger loon dan zijn secretaris (maximum 120 procent).
Is het vreemd dat de burgemeester vaak minder verdient dan de secretaris? Neen. Voor secretarissen is de wedde hun enige loon. Burgemeesters hebben vaak nog andere bronnen van inkomsten, ook via allerlei bestuursmandaten en dergelijke.
En de schepenen? Die zijn minder waard dan hun burgemeester. Letterlijk. Een schepen krijgt 60 tot 75 procent van de burgemeesterswedde, afhankelijk alweer van de grootte van de gemeente (meer of minder dan 50.000 inwoners).
Overigens gaat de Vlaamse regering de weddes van burgemeester en schepenen na januari herbekijken en niet langer richten op de wedde van de secretaris maar op die van een Vlaams Parlementslid. Netto zou het voor de lokale politici geen verschil maken.
Wat doet de burgemeester?
Uw burgemeester: sheriff en dorpspastoor. Hij moet waken over orde, rust en veiligheid. En over zoveel meer. Er bestaat geen boekje waarin precies staat wat een burgemeester moet en mag en wat niet.
Op het eerste gezicht lijkt het allemaal simpel: de burgemeester moet waken over de openbare orde, rust en veiligheid in zijn gemeente. Hij moet er ook voor zorgen dat de federale of Vlaamse beslissingen ook worden uitgevoerd. Daarnaast is hij bevoegd voor de uitoefening van de politiewetten, politiedecreten en andere politiebesluiten. Kortom, hij lijkt wel een sheriff.
Iets minder gewelddadig is alvast zijn opdracht om, als verantwoordelijke voor de burgerlijke stand, huwelijken in te schrijven.
Politiek gezien is het natuurlijk duidelijk. De burgemeester is de baas, het gezicht van de gemeente. Hij zit het college met zijn schepenen voor, net als de gemeenteraad al laat het nieuwe Vlaamse gemeentedecreet toe dat voortaan een ander gemeenteraadslid de zittingen voorzit.
Om het nog wat beter te kunnen inschatten wat een burgemeester precies doet, vroeg politicoloog Johan Ackaert het aan de burgemeesters zelf.
HOE ZIEN BURGEMEESTERS ZICHZELF?
- Beleidsmaker 55%
- Vertrouwenspersoon 47%
- Hoofd administratie 27%
Bron: Johan Ackaert
Burgemeesters zien zichzelf blijkbaar vooral als beleidsmaker (55 procent): dossiers opvolgen, de financiën beheren, een beleid voor de gemeente uittekenen.
Haast de helft ziet zichzelf ook als een vertrouwenspersoon (47 procent). De burgemeester moet overal aanwezig zijn, bereikbaar en moet luisteren naar grote en kleine wrevels van de burger. Zelfs bij burenruzies of kleine en grote familiedrama's bellen sommige gemeentenaren rapper hun burgemeester dan politie of een hulpverlener. Sommige burgemeesters voelen zich dan ook meer pastoor dan sheriff of politicus.
Voorts noemen burgemeesters zichzelf het hoofd van de gemeentelijke administratie (27 procent). En een kwart van de burgemeesters beklemtoont zijn rol als politiek bestuurder hoofd van het college, de gemeenteraad.
Wat burgemeesters precies doen? 45 uur per week zijn ze bezig zijn met politiek. Ze zijn 6,4 uur per week bezig met het voorbereiden en voorzitten van de politieke organen, 8,2 uur met overleg met de administratie, 6,9 uur met deelname aan het gemeenschapsleven, 3,2 uur met intergemeentelijke samenwerking, 3,4 uur met dossierstudie en 2,8 uur met overleg met de eigen partij. Andere politieke mandaten vergen nog anderhalf uur.
De verkiezing
Hoeveel stemmen kost een zetel?
Het principe is mooi: de personen die de meeste stemmen krijgen, krijgen ook een zetel in de gemeenteraad. En de allerbesten onder hen worden schepen. De absolute primus wordt burgemeester. Helaas of gelukkig maar: van een dergelijke absolute democratie is in ons Vlaanderen nog geen sprake.
Wie gaat stemmen, kan namelijk kiezen: het bolletje bovenaan de lijst kleuren of één of meerdere kandidaten aanduiden. Steeds meer mensen doen, zeker bij gemeenteraadsverkiezingen, dat laatste.
Toch brengt nog altijd ... procent een lijststem uit. Die stem betekent: 'ik steun de partij en de volgorde van de kandidaten op de lijst'. Het betekent dus ook dat u de kandidaten bovenaan de lijst meer steunt dan de kandidaten onderaan. De lijststem is belangrijk bij het bepalen wie uiteindelijk gaat zetelen. Vroeger had die stem haar volle gewicht, later werd het gewicht gehalveerd en aanvankelijk zou deze Vlaamse regering haar gewicht helemaal neutraliseren. Zover is het niet gekomen. De lijststem telt nu nog voor een derde mee. Van een compromis gesproken!
Om dit systeem echt te begrijpen, is een voorbeeld broodnodig.
De uitslag van de partij Oker
Aantal lijststemmen 800 stemmen
- Ann 750
- Kurt 700
- Bram 800
- Cindy 700
- Thomas 125
- Wendy 60
- Sofie 850
- Dries 880
Stel dat de partij hiermee vier zetels haalde en dat in totaal 1.500 mensen voor Oker hebben gestemd (dat kan: u kan op meer dan één kandidaat stemmen).
BEREKENINGEN
verkiesbaarheidscijfer
= (stemcijfer * aantal zetels) / aantal zetels + 1
'pot' gevuld met lijststemmen'
= (aantal lijststemmen * aantal zetels) / 3
Wanneer de lijststem niet meetelt, is het simpel: Dries, Sofie, Bram en Ann zetelen. De lijststem telt echter wel mee en dus moeten we rekenen.
Eerst is het verkiesbaarheidscijfer nodig: hoeveel stemmen moet je hebben om de zetel voor Oker te krijgen. Om dat cijfer te berekenen, vermenigvuldigen we het stemcijfer 1.500 met het aantal zetels (4). En dat delen we door het aantal zetels + 1 (5). Het verkiesbaarheidscijfer is dus 1.200.
Niemand heeft zoveel stemmen gehaald en dus is niemand meteen zeker van een zetel. Meteen komt de lijststem in beeld. Die lijststem vormt een 'pot' waaruit kandidaten kunnen putten om het verkiesbaarheidscijfer te halen.
Hoe groot is die pot? Vermenigvuldig het aantal lijststemmen met het aantal behaalde zetels (800x4 is 3.200). Pas dan wordt dat aantal gedeeld door drie. Politiek Vlaanderen heeft namelijk beslist dat de lijststem nog voor een derde meetelt.
De pot is 1.066 stemmen groot en de eerste die daaruit mag putten, staat bovenaan de lijst. Ann (750 stemmen) krijgt er 450 bij om het verkiesbaarheidscijfer (1.200) te halen. In de pot zitten nu nog 616 stemmen. Kurt (700 stemmen) krijgt er 500 bij om het verkiesbaarheidscijfer te halen. In de pot zitter er nog 116. Dat is te weinig om iemand aan het verkiesbaarheidscijfer te helpen. De andere twee zetels gaan naar de kandidaten met de meeste stemmen: Dries en Sofie. Bram die nochtans meer fans had dan Ann en Kurt, krijgt niets.
Meteen is duidelijk dat de lijststem nog wel degelijk een invloed heeft. Bij een partij die iets of wat zetels haalt, kunnen de bovenste twee van de lijst zowat op beide oren slapen dankzij de lijststem. Op die manier kan een partij iemand in de gemeenteraad loodsen door hem of haar hoog op de lijst te zetten.
Vroeger werd dat systeem vooral gebruikt om minder populaire studaxen in de raad te loodsen of om vers bloed aan te brengen. Nu is het vooral een systeem om een kandidaat van de kleine kartelpartner een zetel te gunnen. Niet toevallig waren het net Spirit en N-VA die het meeste hebben gelobbyd voor de lijststem.
Opvolgers
Er is geen aparte lijst met opvolgers.
Het verhaal is overigens nog niet gedaan. Soms verzaakt een verkozen gemeenteraadslid aan zijn zetel. Omdat hij zwaar ziek is, geen zin meer heeft, verhuist of tot ontslag wordt gedwongen. In dat geval moet dat gemeenteraadslid worden opgevolgd. Door wie? Bij de gemeenteraadsverkiezingen is er geen 'aparte lijst' met opvolgers terug te vinden onder de lijst met effectieve kandidaten op het stembiljet. Men rangschikt de niet-verkozen kandidaten uit de verkiezingslijst als 1ste, 2de… opvolger. De effectief verkozen kandidaten tellen natuurlijk niet meer mee en schrappen we. Om de volgorde van de overblijvers te bepalen, gaan we daarna weer te werk met verkiesbaarheidcijfer en de pot lijststemmen.
Meer info:
dewakkereburger.be
vlaanderenkiest.be
Waaraan moet een kieslijst voldoen?
Er zijn 80.000 kandidaten deelnemers aan de verkiezingen. Niet iedereen mag deelnemen aan de verkiezingen. Bovendien zijn er regels voor de lijsten. Zowat 80.000 Vlamingen en enkele EU-burgers zijn op 8 oktober kandidaat voor de gemeenteraadsverkiezingen.
KANDIDAAT-VOORWAARDEN
- Belgische Nationaliteit / EU-burger
- minimum 18 jaar
- geen criminele veroordeling
- domicilie in opkomende gemeente
Niet iedereen mag kandidaat zijn. U moet de Belgische nationaliteit hebben of uit een land van de EU komen. Migranten van buiten de EU mogen dus wel gaan stemmen straks, kandidaat zijn op een lijst mag niet.
Een andere voorwaarde is dat u achttien jaar bent en geen criminele veroordeling opgelopen hebt. Bij sommige veroordelingen zelfs die met enkel een voorwaardelijke straf mag u twaalf jaar lang geen kandidaat zijn: het gaat dan om geldverduistering, omkoping, belangenvermenging... tijdens de uitoefening van een gemeenteambt.
En dan is er nog een belangrijke voorwaarde: u moet gedomicilieerd zijn in de gemeente waar u kandidaat bent. Deze regel leidt bij elke gemeenteraadsverkiezing tot enkele verhuizingen. Zo neemt de kersverse SP.A-staatssecretaris Bruno Tuybens deel aan de verkiezingen in Zwalm (waar de liberalen sterk staan). Patrick Dewael dacht er dan weer aan om Tongeren te verlaten en in Hasselt waar Steve Stevaert is weggevallen kandidaat te zijn.
Vroeger mochten boswachters, militairen en pastoors ook geen kandidaat zijn, maar die regel is afgeschaft door de Vlaamse regering. Leden van hetzelfde gezin mogen wel samen deelnemen aan de verkiezingen, ze mogen niet samen zetelen. Als Bruno en Louis Tobback allebei verkozen worden in Leuven, zal één van hen dus niet mogen zetelen. Hetzelfde geldt voor Peter en Louis Vanvelthoven in Lommel.
Wanneer partijen genoeg kandidaten hebben (evenveel als er in de gemeente zetels te verdienen zijn), kunnen ze hun lijsten samenstellen. Ook dat doen ze niet zomaar. Deze Vlaamse regering heeft beslist dat er evenveel mannen als vrouwen op de lijst moeten staan. (Bij onpare lijsten mag er één vrouw meer of minder op de lijst staan.) Bovendien mag de top-drie niet alleen uit mannen of vrouwen bestaan.
Verder doen de partijen hun zin. Maar ze houden natuurlijk wel rekening met enkele factoren. Zo proberen ze op hun lijst jongeren en meer ervaren kandidaten te presenteren en zoeken ze ook mensen uit alle deelgemeenten. Als de lijst een kartellijst is van verschillende partijen, moeten ook al die partijen een kandidaat hebben. Liefst bovenaan natuurlijk.
De favoriete kandidaten tevens de stemmentrekkers staan trouwens altijd bovenaan de lijst. Wie bovenaan de lijst staat, valt immers beter op. Daarnaast kunnen die kandidaten ook profiteren van de lijststem. (zie aldaar) Opvallen kan ook helemaal onderaan de lijst natuurlijk. Van de lijststem profiteren kan daar niet.
Hoe worden de zetels verdeeld?
Bij gemeenteraadsverkiezingen worden de zetels verdeeld volgens het systeem Imperiali.
Het opmerkelijke van de hele zaak is dat het systeem Imperiale alleen nog bij gemeenteraadsverkiezingen wordt gebruikt. Alle andere verkiezingen in Vlaanderen - ook die voor de provincies en in de Antwerpse districten - gebeuren volgens het systeem D'Hondt.
In de vorige Vlaamse regering wou het toenmalige Agalev - als kleine partij een slachtoffer van Imperiali - het kiessysteem veranderen in ruil voor de groene steun aan de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester. De hele deal ging echter niet door.Het is allemaal net iets minder eenvoudig dan het lijkt. Bij verkiezingen is het namelijk NIET zo dat wie tien procent van de stemmen haalt, ook tien procent van de zetels wint. De zetels worden niet helemaal evenredig verdeeld. Grotere partijen krijgen er merkelijk meer dan de kleinere.
Daar is een goede reden voor: politieke versplintering tegengaan. Het systeem garandeert dat er geen rist partijen in een gemeente allemaal een beetje zetels halen en dus grote, bonte coalities moeten sluiten om de gemeente te besturen.
Meer nog: het systeem is zo zeer in het voordeel van grote partijen, dat heel veel gemeenten bestuurd worden door maar één partij. Liefst 126 van de 308. Zijn dat gemeenten waar één partij meer dan vijftig procent haalde? Absoluut niet. De bulk van die volstrekte meerderheden steunt op minder dan vijftig procent van de stemmen.
Om dat allemaal te begrijpen, moet u even mee volgen hoe het kiessysteem bij de lokale verkiezingen in elkaar zit. Bijgaande tabel maakt veel duidelijk, hopen we.
Het speelt zich af in een gemeente van 8.000 inwoners, waar 6.400 mensen een stem mochten uitbrengen. De andere waren nog te jong. Er zijn 19 zetels te verdelen.
Volgens het systeem Imperiali worden de uitslagen vervolgens gedeeld door 1, door 1,5, door 2, door 2,5 enzovoort. Die uitslagen worden naast elkaar gezet en de hoogste 19 quotiënten krijgen de 19 zetels. Meteen merkt u dat partij A met 43 procent toch 52 procent van de zetels krijgt. De kleinste partij krijgt, ondanks 15 procent van de stemmen, amper 2 zetels.
Hoe belangrijk het systeem Imperiali is, blijkt ook uit de tweede tabel. Daar is dezelfde uitslag omgezet in zetels volgens het systeem D'Hondt. De uitslagen worden er achtereenvolgens door 1,2,3... gedeeld en gerangschikt. Wat blijkt? A is zijn volstrekte meerderheid kwijt en ziet een zetel naar de kleinste partij gaan. De uitslag is ook iets evenrediger, hij sluit iets meer aan bij de stemverhoudingen.
Is de absolute meerderheid haalbaar?
Homogeen ben je niet alleen.
Op lokaal vlak zijn homogene meerderheden geen zaak van het verleden: Vlaanderen telt er 126, in het hele land zijn er liefst 291.
Op nationaal vlak is het fenomeen sinds de jaren vijftig niet meer voorgekomen, maar op lokaal vlak zijn er nog altijd verbazend veel homogene meerderheden.
Voor alle duidelijkheid: we spreken van een homogene meerderheid als één lijst - al dan niet een plaatselijk kartel - minstens de helft van de zetels wegkaapt. Dat betekent niet noodzakelijk dat ze alleen het bestuur vormen: vaak nemen ze er een coalitiepartner bij, ook al is dat strikt gezien niet nodig.
Vlaanderen en Wallonië: een verschillende situatie
In Vlaanderen zijn er 126 gemeenten waar in 2000 één lijst de helft of meer van de zetels veroverde. Dat is goed voor 40 procent van de gemeenten.
In Wallonië ligt dat aantal nog hoger: daar zijn er homogene meerderheden in 157 of bijna 60 procent van alle gemeenten.
In het Brussels Gewest zijn er 8 gemeenten met dit type verkiezingsuitslag.
Deze cijfers zijn indrukwekkend, maar dertig jaar geleden waren ze dat nog veel meer. In 1976, de eerste lokale verkiezingen na de gemeentefusie, waren er in Vlaanderen nog in 197 van de 308 gemeenten (64 procent) volstrekte meerderheden. ,,Voor de fusies zat je met cijfers boven de 80 procent'', vertelt politoloog Johan Ackaert.
,,Toen werden er in veel gemeenten nog geen verkiezingen georganiseerd, omdat er maar één lijst was. Pas sinds 2000 zijn overal in Vlaanderen verkiezingen nodig. Daarvoor had je nog altijd gemeenten zoals Herstappe, met maar één lijst.''
Kunnen we spreken van een trend?
Het aantal gemeenten met een homogene meerderheid daalt dus gestaag. Zal dat ook na de gemeenteraadsverkiezingen van oktober het geval zijn? Niet noodzakelijk. ,,Het zou kunnen dat het aantal cosmetisch niet slinkt'', zegt Ackaert. Hij verwijst naar de nieuwe nationale kartels CV&V/N-VA en SP.A/Spirit. Die politieke hergroepering kan er in sommige gemeenten toe leiden dat één lijst de meerderheid behaalt of behoudt , terwijl ze die zonder kartel had verloren.
Toch ziet Ackaert eerder een neerwaartse tendens. ,,De lokale politiek fragmenteert. Nog niet zo spectaculair als de nationale, maar toch.''
Bovendien blijkt de burgemeestersbonus wie de burgemeester levert, haalt daar electoraal profijt uit nauwelijks nog te bestaan. ,,In het verleden had je bijna een statistische wetmatigheid dat wie in de meerderheid zat, meer kans maakte om de verkiezingen te winnen. Nu rendeert dat niet meer automatisch'', zegt Ackaert.
Verschillen in Vlaanderen
West-Vlaanderen heeft de meeste homogene meerderheden (61 of 64 procent), verhoudingsgewijs telt Antwerpen er het minst. CVP (CD&V) heeft er veruit de meeste (en vooral in West-Vlaanderen dan met onder meer Ieper, Kortrijk en Veurne) met 72 gemeenten. De VLD heeft er twintig waarvan vele in Oost-Vlaanderen met bijvoorbeeld Brakel, Kluisbergen en Zwalm. Bij de SP.A zijn er vijf waaronder Lommel, hasselt en Oostende. Lokale lijsten zijn goed voor 28 homogene meerderheden.
Reden voor de vele homogene meerderheden is onder meer ook het kiessysteem dat grote partijen bevoordeelt (Hoe worden de zetels verdeeld?). Het systeem-Imperiali zorgt ervoor dat een partij met meer dan 40 procent van de stemmen haast altijd meer dan 50 procent van de zetels haalt.
De gemeente
Behoort mijn gemeente tot de grootsten?
De grootste oppervlakte
- Antwerpen 20.451 hectare
- Gent 15.618 hectare
- Beveren 15.018 hectare
- Diksmuide 14.940 hectare
- Brugge 13.840 hectare
De kleinste oppervlakte
- Herstappe 135 hectare
- Drogenbos 249 hectare
- Mesen 357 hectare
- Borsbeek 391 hectare
- Linkebeek 414 hectare
De meeste inwoners
- Antwerpen 457.749
- Gent 230.951
- Brugge 117.327
- Leuven 89.910
- Mechelen 77.480
De minste inwoners
- Herstappe 86
- Mesen 976
- Horebeke 1.975
- Bever 2.014
- Spiere-Helkijn 2.040
- Baarle-Hertog 2.267
Wanneer spreken we van een stad?
Niet elke gemeente is een stad. Sommigen gemeenten zijn steden. En zo logisch is dat niet altijd. Gemeenten en steden zijn zoals bomen en eiken. Elke eik is een boom en elke stad is een gemeente. Maar niet elke boom is een eik en dus is niet elke gemeente een stad.
Vlaanderen telt 64 steden. Meer dan een naam of een titel is het niet. Voor het nieuwe Vlaamse gemeentedecreet zijn ze allemaal gelijk voor de wet.
Dat was niet altijd zo. In de middeleeuwen was het interessanter om in de stad te wonen dan op het platteland: minder belastingen en meer voorrechten. Tot Napoleon langskwam en al die privileges afschafte.
De redenen waarom een stad een stad is, zijn trouwens niet altijd even duidelijk.
Zo was 't is een bekend voorbeeld Herk-de-Stad lang niet altijd een stad. En het kleine Mesen is al langer een stad dan het grote Genk.De belangrijkste reden ligt in het verleden. In 1830, bij onze onafhankelijkheid, kozen de nieuwe machtshebbers ervoor om de gemeenten die de Nederlandse overheersers tot stad hadden uitgeroepen, stad te laten. Gemeenten die de titel verloren waren na de Franse revolutie, kregen die niet meteen terug.
Zo werd Herk-de-Stad (11.600 inwoners) pas in 1985 weer een stad. Samen met Lo-Renige (3.330 inwoners) bijvoorbeeld en Mesen, met 976 inwoners de kleinste stad van ons land (Mesen was in de middeleeuwen de verbinding over land tussen de Leie en de IJzer).
Op 1 januari 2000 kreeg ons land er een laatste lading steden bij, louter op basis van statistieken dit keer. Waregem, Mortsel en Genk kregen de titel op basis van hun ,,stedelijke kenmerken'', zoals een dichte bevolkingsconcentratie, een uitgebreide handelsactiviteit en een grote aantrekkingskracht op de omliggende gemeenten.
Iedereen blij? In Genk en Waregem wel. In Mortsel vonden enkelen dat het verschil tussen de stad Antwerpen en het dorp Mortsel weer wat kleiner was geworden.
Waar haalt de gemeente geld?
Gemeenten halen de helft van hun middelen uit belastingen die zij heffen. Meer dan de helft van de uitgaven gaat naar personeel en werking. Het gros daarvan gaat naar personeel en werking.
Uitgaven
Volgens het Dexia-rapport uit 2005 over de gemeentefinanciën gaven alle Belgische gemeenten samen in 2004 zowat 13 miljard euro uit. Ruim de helft (58 procent) daarvan ging naar personeels- en werkingsuitgaven.
Die personeelskosten, grof geschat 7.760 miljoen euro, zijn logisch. Volgens berekeningen van de Vlaamse Vereniging voor Steden en Gemeenten werken er zowat 170.000 mensen voor de gemeenten in Vlaanderen alleen al: 94.000 bij de gemeenten zelf, 62.000 bij de OCMW's en 15.000 bij de politiezones.
De uitgaven voor het personeel stijgen elk jaar met zowat 4 procent. Omdat iedereen meer verdient, omdat gemeenten eerder personeel in dienst nemen dan mensen te ontslaan en ook omdat het personeel dat bij gemeenten werkt, hoger gekwalificeerd is dan pakweg twintig jaar geleden.
Gemeenten geven ook geld uit door zogenaamde overdrachten: ze stijven mee de kas van de politiezone, van het OCMW en ook van openbare ziekenhuizen of kerkfabrieken. Die uitgaven vertegenwoordigen zowat 26 procent van alle gemeentelijke uitgaven.
Opmerkelijk daarbij is dat, sinds de politiehervorming, gemeenten meer geld uitgeven aan hun politie dan aan het OCMW. 120 euro per inwoner gaat naar veiligheid en 108 naar maatschappelijk werk. Typisch allicht voor het prioriteitenranglijstje van Vlaanderen van de 21ste eeuw. Overigens krijgen kerkfabrieken 5 tot 6 euro per inwoner.
De laatste uitgaven van gemeenten zijn schulden: geld dat is geleend voor en geïnvesteerd in wegen of riolen bijvoorbeeld. Het gaat om zowat 14,3 miljard euro in totaal. Haast een peulenschil. De schuld van gemeenten vertegenwoordigt minder dan vijf procent van de totale overheidsschuld.
Inkomsten
Een andere vraag is waar gemeenten hun geld vandaan halen? Uit eigen belastingen, uit dotaties van de Vlaamse overheid (het Gemeentefonds) en uit eigen middelen en activa.
De belangrijkste inkomstenbron zijn natuurlijk de belastingontvangsten, goed voor 46 procent van het gemeente-inkomen. Gemeenten hebben drie soorten belastinginkomsten: 42 procent van de gemeentelijke belastingontvangsten komt van de opcentiemen op de onroerende voorheffing, 39 procent van de algemene belasting op de personenbelasting, de rest zijn eigen belastingen (16 procent).
De tarieven van de opcentiemen en de aanvullende personenbelasting (APB) zijn de laatste jaren fors gestegen. Daar is meer dan één reden voor. De paars-groene belastinghervorming is er één van. De gemeentelijke APB is een extra heffing bovenop de federale belastinginkomsten. Als die grondslag door de paars-groene belastinghervormingen daalt, moeten gemeenten hun APB wel verhogen om hetzelfde over te houden. Eenvoudig gezegd: als het APB-inkomen van een gemeente 10 euro is, geheven op de federale belastinginkomsten van 100 euro, dan bedraagt de APB tien procent. Als door de belastinghervorming de federale inkomsten naar 90 euro zakken, dan moet de gemeente haar APB wel verhogen naar 11 procent om dezelfde 10 euro over te houden.
Een tweede belangrijke reden voor de hogere tarieven is de liberalisering van de energiemarkt in Vlaanderen. De gemeenten waren de belangrijkste aandeelhouders van de intercommunales die de elektriciteit- en gasdistributie verzorgen. Het leverde ze elk jaar een mooi dividend op. Door de liberalisering van de markt op 1juli 2003 in Vlaanderen, verminderde dat dividend fors en moesten de gemeenten andere inkomsten zoeken.
Merk toch ook hoe de gemeentelijke belastingen voor het verkiezingsjaar stabiel blijven of zelfs dalen en pas erna stijgen. Ook nu waarschuwen specialisten al voor nieuwe stijgingen vanaf 2007: de brandweerhervorming komt eraan en er is de herziening van de politiefinanciering.
De andere grote inkomstenbron voor gemeenten zijn de dotaties van de Vlaamse overheid. Elk jaar krijgen gemeenten een forse hap geld van het Gemeentefonds. Per inwoner gaat het om meer dan 270 euro. Gemeenten met een centrumfunctie of met minder bemiddelde inwoners krijgen een extra steuntje. Zo krijgt Gent 943 euro per inwoner, Antwerpen 938 en Oostende 381. Rijke gemeenten als Sint-Martens-Latem en Hoeilaart krijgen zowat 100 euro per inwoner.
Het Gemeentefonds is trouwens een sterke groeier. Onder de vorige Vlaamse regering bijvoorbeeld ging het budget met 23 procent vooruit (na aftrek van inflatie nog altijd 12 procent).
Toch zitten er meer gemeenten in het rood dan in het zwart. In 2000 hadden nog 138 Vlaamse gemeenten een overschot en 170 een tekort. In 2001 hadden nog maar 105 een overschot en al 203 een tekort. Intussen is de toestand wat verbeterd, maar er zijn nog altijd minder gemeenten met een overschot (141) dan met een tekort (167). En die verbetering is dan nog vooral te danken aan eenmalige inkomsten.
Hoeveel mensen werken voor een gemeente?
Voor alle Vlaamse gemeenten samen werken ongeveer 170.000 mensen. De grotere gemeenten zijn dan ook best te vergelijken met een KMO vooral een MO dan. Antwerpen is zelfs bij de grootste werkgevers van het land met haast achtduizend werknemers.
Gemeentelijke diensten zijn voor een gemeente wat ambtenaren zijn voor een land: zij moeten maken dat de politieke beslissingen van burgemeesters en schepenen op het terrein worden uitgevoerd.
Het hoofd van dat personeel is de gemeentesecretaris de leidende ambtenaar van de gemeente eigenlijk. Hij - de meeste gemeentesecretarissen zijn mannen, rijpe veertigers zelfs - is ook de zekere factor in de gemeente. Politieke meerderheden wisselen, net als hun beleidsaccenten. De gemeentesecretaris is een blijver. Hij doet dus meer dan alleen het personeel leiden, hij heeft ook een adviserende rol tegenover de politici. De ervaring van een gemeentesecretaris reikt vaak verder dan die van een gemeentepoliticus.
De gemeentesecretaris woont de gemeenteraad en het college van burgemeesters en schepenen bij en stelt het verslag op van die vergadering. Het takenpakket van de secretaris is trouwens zo omvattend in grotere gemeenten dat, vanaf 60.000 inwoners, een gemeente ook een adjunct-secretaris kan aanstellen.
Een andere topfunctie in de gemeente is die van de financiële beheerder. Deze ambtenaar is verantwoordelijk voor de gemeentelijke financiën en kun je vergelijken met de penningmeester van een vereniging. Hij of zij doet haast dienst als het financiële geweten van een gemeente. Naast de controle op de uitgaven - is er geld voorzien, is de aanbesteding correct gebeurd? - geldt hij/zij ook als financieel adviseur bij gemeenteraadsverkiezingen.
Vroeger waren de financiële beheerders - 'ontvangers' heetten ze toen - zelf verantwoordelijk voor de financiën. Als ze een failliete aannemer zouden betalen, als ze een schuldvordering zouden laten verjaren of de begroting zouden laten overschrijden, konden die gemeenteontvangers er persoonlijk voor opdraaien.
Daarom moesten ze zelfs voor het aanvaarden van de job een borgsom betalen. Hoe groter de gemeente, hoe duurder. Gemeenten met minder dan 10.000 inwoners konden een borg vragen tot 12.000 euro, grotere gemeenten het dubbele.
De gemeentesecretaris, zijn eventuele adjunct en de financiële beheerder vormen samen het managementteam van de gemeente - eventueel aangevuld met andere diensthoofden. Dat team wordt de tussenschakel tussen politici en gemeentelijke ambtenaren.
Omdat goede afspraken belangrijk zijn in deze, stelt het team samen met de politici voor elke legislatuur een afsprakennota op over hun samenwerking.
Bron: Verkiezingsbijlage bij de Standaard - 05 jseptember 2006
|